De das en de egel waren al vroeg op stap. Het was nog mistig en nat en de egel had de slaap nog in haar ogen zitten. Maar de das had niet willen wachten, en met zijn spitse neus wees hij naar de bosrand.

‘We moeten gaan!’ had hij gezegd, met brede passen het bospad kiezend terwijl de egel achter hem aan stommelde. 

‘Wacht even,’ had de egel geroepen toen zij naast het pad een bosbes zag en opnieuw toen zij een beukennoot ontdekte, maar de das had niet gewacht. Toen midden op de dag de zon haar hoogste punt aan de hemel had bereikt, daar bleef staan twijfelen en niet meer bewoog, stopte de das, keek om naar de egel en zei: ‘Dit hier is het verste punt van alles.’ 

De egel ging naast hem staan. ‘Zie je niets meer voor ons, das?’

‘Nee.’

‘Ook geen wolk?’

‘Nee.’

‘Ook geen horizon?’

‘Ook niet.’

Ze hielden elkaars hand vast om niet voorover te vallen in het niets voor hen en de egel vroeg: ‘Staan we precies op het randje?’

‘Klopt.’

‘Ligt alles achter ons?’

‘Absoluut.’

‘Top. Maar, waarom wilde je hiernaartoe?’ vroeg de egel en de das antwoordde: ‘Om iets uit te proberen.’

Hij deed een stap naar voren en was weg.

‘Waar ben je, das?’ riep de egel en zij voelde dat de wind haar naar voren blies en rilde bij de gedachte daaraan.

Er kwam geen antwoord van de das maar iemand anders riep: ‘Hier is niets hoor!’

‘Oh ja? En wie bent u?’

‘Ik ben niets.’

‘En heeft u de das gezien?’

‘Nee.’

Dat vond de egel jammer en zij vroeg: ‘En waarom bent u daar?’

‘Omdat ze nog niet aan mij begonnen zijn.’

‘U staat nog voor het begin van alles.’

‘Ja.’

‘Is dat uw vak?’

‘Nee.’

‘Is dat dan leuk?’

‘Nee, niets aan.’

De egel probeerde even of zij iets kon ruiken, maar zij rook niets en riep: ‘Weet u al waar u op gaat lijken? Straks? Op de mier? De mier denkt dat iedereen dat wil.’

‘Ik niet.’

De egel zei: ‘Snap ik. Maar zou u misschien een das kunnen worden?’

‘Is een das veel? Ik ben nu nog helemaal niets.’

‘Nee, een das stelt weinig voor. En anders moet ik helemaal alleen teruglopen. Hij heeft strepen. Lukt dat, die strepen?’

‘Eens kijken.’

En ineens stond de das weer naast de egel, op het randje.

‘Kom we gaan,’ zei de das, ‘ik heb het hier wel gezien.’

Hij rilde nog een beetje over zijn hele lijf, alsof hij iets van zich af wilde schudden.

Iets wat op niets leek.

Een eerste straal zonlicht reikte tot aan zijn huid, en de brilslang deed zijn ogen open en kroop uit de schuilplaats van zijn dromen tevoorschijn. Hij rekte zijn lijf en keek de wereld in en voelde zich alleen. Hij tilde zijn hoofd op en legde het weer op de grond, alsof hij even voor het leven boog. 

En hij vertrok. 

Hij voelde de aarde onder zich schuren bij het kruipen, en bedacht dat hij niet meer was dan een slaaf van alles wat hij voelde. En van wat hij zag en hoorde. En hij maakte zijn bril schoon om er het beste van te maken.

‘Hé brilslang, zal ik met jou meespringen,’ riep de sprinkhaan hem opgewekt toe, ‘als het begin van mijn reis vandaag?’

De sprinkhaan was glanzend groen met zwarte vlekken en stond midden op het pad te wachten.

‘Prima,’ zei de brilslang, ‘ik ben ook op reis.’

‘Reis je vandaag naar de vijver?’ vroeg de sprinkhaan. ‘Want dan haak ik af. Al m’n broers zijn daar verdronken, door fout springwerk.’

De brilslang zei: ‘Ik reis anders.’

‘Oh?’

De sprinkhaan was er al bang voor.

‘Ikzelf ben de reis, en elke dag ben ik het uitzicht van mijn ziel.’

‘Jeetje, brilslang.’

De sprinkhaan begreep er helemaal niets van. ‘Is reizen dan iets wat je bedenkt?’

De brilslang zei: ‘Nee, reizen is iets wat je bent, maar voor de meesten…’

‘Ja?’

‘Voor de meesten is reizen alleen bewegen, zoals het water van de rivier beweegt.’

De sprinkhaan vermoedde dat hij bij de meesten hoorde en zei: ‘Gewoon een kwestie van binnen de oevers blijven, denk ik, voor de meesten.’

De brilslang glimlachte. ‘Precies.’

Ze draaiden nu het zandpad op dat naar de hei ging en daarna nog veel verder.

De sprinkhaan vroeg: ‘Wanneer jij, als brilslang dus, zelf de reis bent van jouw ziel…’

‘Ja?’

‘Wat die ziel ook zijn mag.’

‘Doet er even niet toe,’ beaamde de brilslang.

‘Hoe ver reis je dan? Ik bedoel, tot aan de vijver? Want dan haak ik af.’

De brilslang zei: ‘Tja, hoe ver ik reis? Ik ben elke dag een andere brilslang, dus mijn ziel heeft elke dag een nieuw uitzicht.’

De sprinkhaan keek hem glazig aan.

‘Maar weet je, zo ver als ik reis is voor jou te ver, denk ik,’ zei de brilslang.

Want hij had trek gekregen en at de sprinkhaan op.

Dat moest ook allemaal gebeuren.

Onderweg.

‘Ik ga weg,’ zei de krekel tegen de egel, ‘naar waar ik vandaan kom.’
De egel vroeg: ‘Maar je komt toch hiervandaan? Je bent altijd hier geweest, bij mij.’
‘Nee,’ zei de krekel, ‘ik was vroeger ergens anders, tenminste niet hier bij jou.’
‘Dat is dan lang geleden. Toen ik er nog niet was, denk ik.’
‘Zou kunnen,’ zei de krekel.
Terwijl de zon wegzakte achter de bomen en de schaduwen steeds langer werden, bleef de egel maar kijken naar de krekel die zijn rugzak inpakte. Zijn vleugels glansden en zijn pootjes waren bijna doorzichtig en zijn voelsprieten schoten alle kanten op. De egel kon het niet geloven en zei: ‘Maar als jij weggaat, dan neem je mij een beetje mee.’
‘Huh?’
‘Ja, alles wat wij samen hebben beleefd. Dat van mij neem je mee. Zul je er goed voor zorgen?’
De krekel zei: ‘Ga ik doen. Maar blijft er dan ook iets van mij achter bij jou?’
De egel knikte.
‘O, wil je daar ook goed voor zorgen?’
Ze beloofden het elkaar plechtig.
‘Dus we hebben elkaar bij ons,’ zei de krekel, ‘als ik wegga.’
De egel knikte, dronk kleine slokjes water, treuzelde en keek weer op. ‘Ja… ik voel jou nu weer in mijn stekels waar je af en toe voorzichtig tegenaan ging liggen.’
‘Zit ik in jouw stekels?’
‘Ja, en in mijn hart, want dat klopt steeds snel als ik je zie.’
‘Zit ik in jouw hart?’
‘Ja, en in mijn stem en in mijn adem,’ zei de egel, ‘want die stem snikt soms.’
‘Zit ik in je adem omdat ik wegga?’
‘Ja, en in mijn ogen, want die gaan glanzen als ze jou zien.’
‘Nu ook, hè?’ zei de krekel, die zag dat de ogen van de egel glansden. ‘Ik zit dus overal, blijf ik ook overal?’
‘Ik denk het wel.’
‘Voor altijd?’
‘Dat weet ik niet, ik weet niet hoelang altijd is.’
‘Oh.’
‘Misschien is altijd te lang,’ zei de egel, ‘maar ik zou het dolgraag willen.’

De brilslang wilde een boek gaan schrijven, dacht na over zijn eerste zin en schreef aarzelend: Schrijven is dwalen…
Hij kraste het weer door en begon opnieuw: Nee, schrijven is reizen in jezelf, op zoek naar vergezichten.
De brilslang beet op het puntje van zijn tong. Want de wereld is niet om mij heen, niet buiten mij, nee, de wereld is in mij… verborgen. Diep verborgen.
De brilslang slaakte een zucht van verrukking en borg zijn woorden stuk voor stuk op om er de volgende dag mee verder te gaan.
Het was nacht geworden, de sterren flonkerden aan de hemel en aan de horizon raakte de stilte van het bos het oneindige daarboven aan. Dat was heel ver weg, waar de brilslang niet kon komen, maar de mier was er wel geweest. Er groeide flink wat suikerriet, volgens de mier.
De brilslang rolde zich tevreden op en schonk zich een glas verse muntthee in. Hij dacht alvast na over de afsluitende zin omdat hij zijn boek voor het weekend af wilde hebben. Plotseling zakte de theepot weg in de grond.
‘Au, verdorie, heet!’ hoorde hij de mol roepen. ‘Dit is een graafgebied, man.’
De mol stak zijn hoofd boven de grond uit en knipperde met zijn bijziende ogen. ‘Dacht ik het niet, een graafgebied moet je vrijhouden. Zo kan ik ondergronds nergens naartoe.’
‘Wil je thee?’ vroeg de brilslang wat afwezig, hij was nog aan het reizen in zijn hoofd.
De mol trok zijn graafhandschoenen uit en knikte vermoeid.
‘Reis jij veel,’ vroeg de brilslang, ‘ondergronds?’
‘Alleen maar,’ zei de mol, ‘alleen ondergronds.’
‘En heb je daar ook vergezichten?’
‘Soms,’ zei de mol.
‘Zou je mij daar misschien uit willen voorlezen, mol?’
De mol somde op: ‘Wortelstokken, knollen en koolrapen. Dat is het voornaamste.’
‘Oh.’
Het was geen uitzicht waar de brilslang veel mee kon en hij vroeg: ‘Vind je ze mooi?’
‘Nee, want ik moet er altijd omheen graven, vergezichten zitten in de weg.’
De brilslang snapte het. ‘Omdat je ergens naartoe moet? Graaf je er daarom omheen?’
‘Ja.’
‘Maar als je nu nergens naartoe zou moeten?’
‘Dan niet,’ zei de mol, ‘maar iedereen moet ergens naartoe.’
‘Ja, nergens naartoe moeten is alleen fijn als je zelf diepgeworteld bent,’ zei de brilslang.
De mol knikte, blies in zijn thee, en probeerde voorzichtig een slokje.
‘Maar dan ben je wel beperkt,’ concludeerde de brilslang.
Ja, diepgewortelde gedachten waren iets voor oppervlakkige wezens. Dat was een mooie zin om zijn boek mee te eindigen, bedacht de brilslang en hij sloot zijn ogen even, terwijl om hem heen de schaduwen zich aftekenden in een wereld van glanzend wit parelmoer.

Eenzaam hart

‘Dag egel, lekker geslapen?’ vroeg de witte muis, waarna ze met licht wiegende heupen doortrippelde zonder op een antwoord te wachten. Ze keek niet eens meer om.

‘Wat een weertje, egel, lekker even kuieren?’ vroeg de haas. Hij sprong over de egel heen en was weg.

De egel kroop terug onder haar blad en keek naar alles dat langskwam. Twee herten en een stel konijnen en de familie das, en de olifant die samen met de dromedaris aan zijn dagmars was begonnen. Ze hadden allebei hun rugzak vol met hooi.

De zon scheen uitbundig, er lagen eindeloos veel beukennootjes op het mos, de mollen waren aan het dollen met de merels en de uil was verkleed als kaketoe heel jolig aan het doen met de muizen, waarvan hij er af en toe speels eentje opat.

Maar de egel voelde zich eenzaam. Ook toen de veldmuis thee kwam drinken en toen de mier kwam snoepen van haar suikerstengels. En ook toen de kleine egeltjes van haar zus er waren. Die kropen over haar hoofd en gaven kusjes. Maar als ze eenmaal sliepen waren ze ver weg in hun eigen wereld.

De egel wist niet waarom zij zich eenzaam voelde met zoveel dieren om zich heen.

Totdat de neushoorn aan kwam lopen, hij treuzelde wat en wist niet goed wat hij moest zeggen. De egel sleepte emmers water voor hem aan en toen die leeg waren zakte de neushoorn door zijn achterbenen en bleef liggen, doodmoe van de kilo’s van zijn lijf, die hij elke dag versleepte. De egel waste zijn gezicht dat zachter werd en toen ze bij zijn ogen kwam deed hij ze even dicht.

’s Avonds lagen ze naast elkaar te kijken naar het maanlicht dat schaduwvlakken op de vijver maakte, en de neushoorn zei: ‘Ik zou wel een vriendin willen hebben die mij snapt.’

De egel voelde haar hart bonken.

‘Eentje die het niet erg vindt dat ik dik en dom ben, en soms op een muis ga zitten met mijn bil.’

Ze hoorden een uil roepen en een andere uil antwoord geven en ze hoorden kikkers kwaken. De maan scheen tussen twee wolken door.

‘Maar zo eentje kan ik maar niet vinden,’ zei de neushoorn, ‘zo’n vriendin die in mijn hart wil wonen.’

De egel hield haar adem in en gloeide, zij zou graag in het hart van de neushoorn wonen. Maar ze zweeg en beet op haar lip. Alsof haar eigen hart al haar woorden opzoog voordat zij ze kon uitspreken. Alsof haar hart bang was om de egel kwijt te raken aan een ander. Haar eigen hart hield heel veel van de egel.

Was te klein misschien, om een neushoorn in te laten wonen.