Op reis

Een eerste straal zonlicht reikte tot aan zijn huid, en de brilslang deed zijn ogen open en kroop uit de schuilplaats van zijn dromen tevoorschijn. Hij rekte zijn lijf en keek de wereld in en voelde zich alleen. Hij tilde zijn hoofd op en legde het weer op de grond, alsof hij even voor het leven boog. 

En hij vertrok. 

Hij voelde de aarde onder zich schuren bij het kruipen, en bedacht dat hij niet meer was dan een slaaf van alles wat hij voelde. En van wat hij zag en hoorde. En hij maakte zijn bril schoon om er het beste van te maken.

‘Hé brilslang, zal ik met jou meespringen,’ riep de sprinkhaan hem opgewekt toe, ‘als het begin van mijn reis vandaag?’

De sprinkhaan was glanzend groen met zwarte vlekken en stond midden op het pad te wachten.

‘Prima,’ zei de brilslang, ‘ik ben ook op reis.’

‘Reis je vandaag naar de vijver?’ vroeg de sprinkhaan. ‘Want dan haak ik af. Al m’n broers zijn daar verdronken, door fout springwerk.’

De brilslang zei: ‘Ik reis anders.’

‘Oh?’

De sprinkhaan was er al bang voor.

‘Ikzelf ben de reis, en elke dag ben ik het uitzicht van mijn ziel.’

‘Jeetje, brilslang.’

De sprinkhaan begreep er helemaal niets van. ‘Is reizen dan iets wat je bedenkt?’

De brilslang zei: ‘Nee, reizen is iets wat je bent, maar voor de meesten…’

‘Ja?’

‘Voor de meesten is reizen alleen bewegen, zoals het water van de rivier beweegt.’

De sprinkhaan vermoedde dat hij bij de meesten hoorde en zei: ‘Gewoon een kwestie van binnen de oevers blijven, denk ik, voor de meesten.’

De brilslang glimlachte. ‘Precies.’

Ze draaiden nu het zandpad op dat naar de hei ging en daarna nog veel verder.

De sprinkhaan vroeg: ‘Wanneer jij, als brilslang dus, zelf de reis bent van jouw ziel…’

‘Ja?’

‘Wat die ziel ook zijn mag.’

‘Doet er even niet toe,’ beaamde de brilslang.

‘Hoe ver reis je dan? Ik bedoel, tot aan de vijver? Want dan haak ik af.’

De brilslang zei: ‘Tja, hoe ver ik reis? Ik ben elke dag een andere brilslang, dus mijn ziel heeft elke dag een nieuw uitzicht.’

De sprinkhaan keek hem glazig aan.

‘Maar weet je, zo ver als ik reis is voor jou te ver, denk ik,’ zei de brilslang.

Want hij had trek gekregen en at de sprinkhaan op.

Dat moest ook allemaal gebeuren.

Onderweg.