Afscheid
‘Ik ga weg,’ zei de krekel tegen de egel, ‘naar waar ik vandaan kom.’
De egel vroeg: ‘Maar je komt toch hiervandaan? Je bent altijd hier geweest, bij mij.’
‘Nee,’ zei de krekel, ‘ik was vroeger ergens anders, tenminste niet hier bij jou.’
‘Dat is dan lang geleden. Toen ik er nog niet was, denk ik.’
‘Zou kunnen,’ zei de krekel.
Terwijl de zon wegzakte achter de bomen en de schaduwen steeds langer werden, bleef de egel maar kijken naar de krekel die zijn rugzak inpakte. Zijn vleugels glansden en zijn pootjes waren bijna doorzichtig en zijn voelsprieten schoten alle kanten op. De egel kon het niet geloven en zei: ‘Maar als jij weggaat, dan neem je mij een beetje mee.’
‘Huh?’
‘Ja, alles wat wij samen hebben beleefd. Dat van mij neem je mee. Zul je er goed voor zorgen?’
De krekel zei: ‘Ga ik doen. Maar blijft er dan ook iets van mij achter bij jou?’
De egel knikte.
‘O, wil je daar ook goed voor zorgen?’
Ze beloofden het elkaar plechtig.
‘Dus we hebben elkaar bij ons,’ zei de krekel, ‘als ik wegga.’
De egel knikte, dronk kleine slokjes water, treuzelde en keek weer op. ‘Ja… ik voel jou nu weer in mijn stekels waar je af en toe voorzichtig tegenaan ging liggen.’
‘Zit ik in jouw stekels?’
‘Ja, en in mijn hart, want dat klopt steeds snel als ik je zie.’
‘Zit ik in jouw hart?’
‘Ja, en in mijn stem en in mijn adem,’ zei de egel, ‘want die stem snikt soms.’
‘Zit ik in je adem omdat ik wegga?’
‘Ja, en in mijn ogen, want die gaan glanzen als ze jou zien.’
‘Nu ook, hè?’ zei de krekel, die zag dat de ogen van de egel glansden. ‘Ik zit dus overal, blijf ik ook overal?’
‘Ik denk het wel.’
‘Voor altijd?’
‘Dat weet ik niet, ik weet niet hoelang altijd is.’
‘Oh.’
‘Misschien is altijd te lang,’ zei de egel, ‘maar ik zou het dolgraag willen.’

Angela van der Meulen
Angela van der Meulen