Vergezichten

De brilslang wilde een boek gaan schrijven, dacht na over zijn eerste zin en schreef aarzelend: Schrijven is dwalen…
Hij kraste het weer door en begon opnieuw: Nee, schrijven is reizen in jezelf, op zoek naar vergezichten.
De brilslang beet op het puntje van zijn tong. Want de wereld is niet om mij heen, niet buiten mij, nee, de wereld is in mij… verborgen. Diep verborgen.
De brilslang slaakte een zucht van verrukking en borg zijn woorden stuk voor stuk op om er de volgende dag mee verder te gaan.
Het was nacht geworden, de sterren flonkerden aan de hemel en aan de horizon raakte de stilte van het bos het oneindige daarboven aan. Dat was heel ver weg, waar de brilslang niet kon komen, maar de mier was er wel geweest. Er groeide flink wat suikerriet, volgens de mier.
De brilslang rolde zich tevreden op en schonk zich een glas verse muntthee in. Hij dacht alvast na over de afsluitende zin omdat hij zijn boek voor het weekend af wilde hebben. Plotseling zakte de theepot weg in de grond.
‘Au, verdorie, heet!’ hoorde hij de mol roepen. ‘Dit is een graafgebied, man.’
De mol stak zijn hoofd boven de grond uit en knipperde met zijn bijziende ogen. ‘Dacht ik het niet, een graafgebied moet je vrijhouden. Zo kan ik ondergronds nergens naartoe.’
‘Wil je thee?’ vroeg de brilslang wat afwezig, hij was nog aan het reizen in zijn hoofd.
De mol trok zijn graafhandschoenen uit en knikte vermoeid.
‘Reis jij veel,’ vroeg de brilslang, ‘ondergronds?’
‘Alleen maar,’ zei de mol, ‘alleen ondergronds.’
‘En heb je daar ook vergezichten?’
‘Soms,’ zei de mol.
‘Zou je mij daar misschien uit willen voorlezen, mol?’
De mol somde op: ‘Wortelstokken, knollen en koolrapen. Dat is het voornaamste.’
‘Oh.’
Het was geen uitzicht waar de brilslang veel mee kon en hij vroeg: ‘Vind je ze mooi?’
‘Nee, want ik moet er altijd omheen graven, vergezichten zitten in de weg.’
De brilslang snapte het. ‘Omdat je ergens naartoe moet? Graaf je er daarom omheen?’
‘Ja.’
‘Maar als je nu nergens naartoe zou moeten?’
‘Dan niet,’ zei de mol, ‘maar iedereen moet ergens naartoe.’
‘Ja, nergens naartoe moeten is alleen fijn als je zelf diepgeworteld bent,’ zei de brilslang.
De mol knikte, blies in zijn thee, en probeerde voorzichtig een slokje.
‘Maar dan ben je wel beperkt,’ concludeerde de brilslang.
Ja, diepgewortelde gedachten waren iets voor oppervlakkige wezens. Dat was een mooie zin om zijn boek mee te eindigen, bedacht de brilslang en hij sloot zijn ogen even, terwijl om hem heen de schaduwen zich aftekenden in een wereld van glanzend wit parelmoer.